Spelregels krachtbal
De belangrijkste regels helder samengevat. Voor een officiële wedstrijd geldt altijd het actuele federatiereglement.
De kern van het spel
Twee ploegen van vier proberen de bal met een reglementaire worp in het doelgebied van de tegenstander op de grond te krijgen. De ploeg met de meeste doelpunten wint.
Wanneer is het een doelpunt?
Een doelpunt telt wanneer de bal na een reglementaire worp, pass of inworp de grond raakt in het doelgebied van de tegenstander. De bal moet volledig over de doellijn zijn voordat hij de grond raakt.
- Een rugworp die scoort, levert twee punten op.
- Een bal die vóór het doelgebied op de grond komt en daarna doorrolt, telt niet.
- Na een doelpunt start het spel opnieuw volgens de opzetregels.
Vooruitgang met gecontroleerde worpen
Er zijn twee toegelaten aanvalsworpen: de nekworp en de rugworp. Beide gebeuren met twee handen en met een symmetrische beweging; stoten of duwen is niet toegelaten.
- U8 tot en met U14 spelen met vier (of drie) werpbeurten, afhankelijk van de opzetplaats.
- U16, U18, U20 en senioren spelen met drie (of twee) werpbeurten.
- Dezelfde speler mag geen twee opeenvolgende worpen nemen.
Vangen, afstand houden, omschakelen
De verdediging probeert de bal vóór hij de grond raakt te vangen. Zo kan ze zelf opzetten. Persoonlijk contact is verboden en een verdediger blijft minstens twee meter van de werpplaats.
- Passen mag vóór een worp gedurende maximaal vijf seconden.
- Een pass is zijwaarts of achterwaarts; alleen in het eigen doelgebied mag hij ook voorwaarts.
- De neutrale zone naast het terrein blijft vrij van hindernissen en publiek.
Fair en zonder contact
Hinderen, opzettelijk contact, te dicht bij de werpplaats staan en foutief werpen zijn niet toegelaten. Afhankelijk van de fout gaan balbezit, een inworp of een vrije worp naar de tegenstander.
- Bij een vrije worp neemt één aangewezen speler de worp vanaf de vrije worplijn.
- Een voet op of buiten de zijlijn bij de worp of aanloop betekent buitenspel.
- De scheidsrechter beoordeelt de fase en beslist over de sanctie.
Tempo, terrein en wedstrijdduur
De doelgebieden zijn minstens 10 meter lang. Elke ploeg kan per speelhelft twee time-outs van één minuut aanvragen. Vervangingen gebeuren na toestemming van de scheidsrechter.
De regels in de praktijk
Open een onderwerp voor extra uitleg. Deze tekst vat de wedstrijdregels samen, maar vervangt het officiële reglement niet.
Ploegen, kapitein en officials
Een ploeg speelt met vier veldspelers; met minder dan drie spelers kan een wedstrijd niet worden betwist. Er mogen maximaal vier wisselspelers beschikbaar zijn. Vervangingen zijn in principe onbeperkt, maar gebeuren pas na aanvraag en toestemming van de scheidsrechter.
Iedere ploeg duidt een kapitein aan. Alleen de kapitein mag tijdens een onderbreking uitleg vragen aan de scheidsrechter. De wedstrijd staat onder leiding van een scheidsrechter, bijgestaan door een grensrechter.
Terrein, lijnen en bal
Het speelveld tussen de doellijnen is 26 meter lang en 14 meter breed. Aan weerszijden liggen doelgebieden van minstens 10 meter. De vrije worplijnen liggen vier meter van de doellijnen; de middellijn verdeelt het speelveld in twee gelijke helften. Naast het terrein ligt een vrije, neutrale zone van minstens twee meter, bij voorkeur drie meter.
De bal is een door de federatie goedgekeurde krachtbal. Het gewicht varieert volgens leeftijd en categorie: van 800 gram bij de jongste spelers tot 4 kilogram bij de hoogste herencategorieën.
Opzet, werpplaats en aanval
Een opzet is de start van een aanval. De werpplaats is meestal de plaats waar de bal werd gevangen of de grond raakte. Na een geldige worp die op het terrein neerkomt, mag de aanvallende ploeg verdergaan vanaf die plaats, zolang er nog werpbeurten over zijn.
Een nekworp gebeurt voorwaarts met de bal achter het hoofd. Bij een rugworp staat de werper met de rug naar de werprichting en gaat de bal met beide handen over het hoofd. Bij beide worpen zijn een stootbeweging en een asymmetrische beweging foutief. De werper mag de werpplaats pas overschrijden nadat de bal de handen heeft verlaten.
Aantal worpen en opeenvolging
Het aantal toegelaten worpen hangt af van de leeftijdscategorie en van de plaats waar de ploeg opzet. U8 tot en met U14 krijgen maximaal vier worpbeurten vanaf de eigen speelhelft; U16, U18, U20 en senioren maximaal drie. Begint de aanval op de speelhelft van de tegenstander, dan is dat telkens één worp minder.
Een speler mag nooit twee opeenvolgende worpen nemen. Bij een opzet op de eigen speelhelft moet een volgende worp de middellijn raken of overschrijden binnen het toegelaten aantal worpen. De laatste worp is de doelworp.
Vijf seconden, passen en dode tijd
Na een opzet, na een gelukte worp, na een doelpunt, bij een vrije worp of na buitenspel moet de worpbeweging binnen vijf seconden starten. Achteruit lopen om een aanloop te nemen start die worpbeweging nog niet; de voorwaartse aanloop en worp wel.
Voor een worp mag een ploeg de bal maximaal vijf seconden onderling passen. Passen gebeuren zijwaarts of achterwaarts; alleen in het eigen doelgebied is ook een voorwaartse pass toegestaan. Tijdens een time-out, rust of andere officiële onderbreking ligt het spel stil.
Verdedigen en balverlies
De verdediging probeert een aanvalsworp te vangen voordat de bal de grond raakt. Daarmee krijgt ze het recht om zelf op te zetten. Valt de bal binnen het terrein zonder dat hij wordt gevangen, dan hangt het vervolg af van de worpfase en de plaats waar de bal neerkomt.
Een verdediger blijft minstens twee meter van de werpplaats en mag de aanloop niet blokkeren. Persoonlijk contact, insluiten en doelbewust hinderen zijn verboden. Ook aanvallers moeten ruimte laten en mogen een tegenstander niet verhinderen.
Buitenspel, fouten en vrije worp
Een bal op of buiten de zijlijn, of een speler die bij een worp of aanloop de zijlijn raakt of overschrijdt, leidt tot buitenspel. Het laten vallen van de bal in het doelgebied is een doelpunt voor de tegenstander; elders op het terrein kan het balbezit wisselen.
Bij zwaardere overtredingen, zoals hinderen, contact, een foutieve worp of een overtreding van de vijfsecondenregel, kan een vrije worp volgen. Die start aan de vrije worplijn richting het doelgebied van de ploeg die de fout beging. De scheidsrechter beslist welke sanctie van toepassing is.
Speelduur, time-outs en score
U12, U14 en U16 spelen twee helften van twintig minuten. Vanaf U18 zijn dat twee helften van vijfentwintig minuten. Tussen beide helften is er maximaal tien minuten rust. Elke ploeg mag per speelhelft tweemaal één minuut time-out aanvragen.
De scheidsrechter bevestigt de score op het wedstrijdblad na elke speelhelft. Als het scorebord en het wedstrijdblad verschillen, is het wedstrijdblad bepalend.